Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de derde man schreeuwt: „Ja, hij is het!”

En nu houden de karrevoerders hun grobak-paarden in en roepen Joesoep.

„Hé, ben jij niet Joesoep, de man van Maryam uit de waroeng?”

„Ja, wat dan?”

„Er is een ongeluk gebeurd!”

„Wat?”

„Je vrouw is door een auto aangereden en de dokter heeft haar meegenomen naar het hospitaal in Tjideres.”

„Wie is er in de waroeng?”

De karrevoerders kijken elkaar verwonderd aan. Zo héél teergevoelig zijn ze niet, maar als je hoort, dat je vrouw gewond is, dan vraag je toch niet direct naar gewone dingen. Maar misschien begrijpt Joesoep niet, dat het een ernstig geval is. Een daarom verduidelijkt een der mannen het gebeurde.

„Er kwam een dolle auto uit de bergen en reed regelrecht de waroeng in — je vrouw heeft alleen maar gekermd. Gezegd heeft ze niets meer.”

„Is ze dood?”

„Niet helemaal.”

De karrevoerders zijn maar heel gewone, arme lieden. Ze kunnen zich niet begrijpen, dat Joesoep niet meer in de war is. Toch is hij het wél, er gaat van alles door zijn hoofd op dit ogenblik, maar hij wil niet laten merken, dat hij angstig en zenuwachtig is.

„Wie is er nu in de waroeng ?” vraagt hij nog eens, alsof hij door zo'n heel gewone, zakelijke vraag weer in z'n gewone doen zal komen.

„Er is geen waroeng meer,” zegt een der karrevoerders, „alles is kort en klein.”

Joesoep zwijgt even. „Maryam ligt in het hospitaal van Tjideres?” vraagt hij dan. En na het bevestigend

Sluiten