Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichte kreet van de gewonde, een verwonderde, haast verontwaardigde blik van Siti en Maryam heeft een prikje met een kalmerend middel in haar arm. En spoedig wordt ze rustiger, maar het gaat heel langzaam en versuffen doet ze niet. Het is zelfs, alsof ze zich haar toestand meer bewust wordt.

„Siti," fluistert ze.

„Ja, moeder?"

„Siti, moeder gaat sterven — ik voel het nu!"

„Neen — neen — niet sterven, moeder moet blijven!"

Maar Maryam gaat verder: „Als moeder dood is, zal Siti dan voor de waroeng zorgen?"

„Ja, moeder."

„En maken, dat vader niets tekort komt?"

„Ja, moeder."

„En de klanten geen reden tot klagen geven?"

„Neen, moeder."

„En — en nog wel eens aan moeder denken, als ze rust op het kleine kerkhof van Kadipaten ?" Een enkele traan valt op het witte kussen van het ziekenhuisbed. Nu huilt ook Siti, en terwijl ze met haar gezicht langs haar moeders gelaat wrijft, fluistert ze: „Ja — o, ja, — moeder."

Dan schijnt de gewonde in te sluimeren. Als ze bijkomt lijdt ze hevige pijn en kan ze niet spreken: ze kermt slechts. In doffe berusting staat Joesoep aan het bed van zijn vrouw, maar zij herkent hem niet. Dat duurt tot de avond. Dan zakt Maryam weg in een bezwijming, waaruit ze niet meer ontwaakt. Langzaam, pijnloos nu en zonder het te weten, gaat ze weg uit het leven.

Als Siti en Joesoep in de maan doorstraalde nacht de tocht van Tjideres naar Kadipaten aanvaarden, gaan ze zwijgend voort. Maar het meisje heeft haar hand in

Sluiten