Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk vraagt Siti naar de reden — ze is bang, dat het eten niet meer smaakt.

„Waarom komt U zo weinig in de waroeng eten?"

Maar haar vader valt ruw uit: „Dat gaat je niets aan; ik kom, als ik wil!"

Siti zwijgt: haar vader behoeft haar geen rekenschap van zijn doen en laten af te leggen. Maar een paar dagen later luistert ze naar een gesprek van twee klanten.

„Heb je gehoord, dat Joesoep weer gaat trouwen?"

„Ja, met M’bok Merah."

Siti zwijgt, maar ze heeft moeite om de klanten goed te bedienen die dag. Een karrevoerder geeft ze limonade inplaats van koffie en een ander giet ze tamarindestroop over zijn rijst. Zo ontdaan is ze over wat ze hoort. Dat haar vader weer gaat trouwen, is tot daar aan toe. Maar dat hij nu juist moet gaan trouwen met die M’bok Merah, die altijd met haar moeder overhoop lag en die niet te vertrouwen is. Ze moet weten waar ze aan toe is; misschien vergissen die mannen zich wel en is er niets van aan. ’s Avonds vraagt ze aan haar vader: „Gaat U weer trouwen?"

„Ja."

„Met wie?"

„Met M’bok Merah."

Meer vraagt Siti niet.

Ja, Joesoep gaat met M’bok Merah trouwen en Siti weet gauw genoeg wat ze van haar tweede moeder te wachten heeft. Haar vader wordt nors en maakt allerlei aanmerkingen op haar doen en laten. De waroeng kan veel meer opbrengen, zegt hij. M’bok Merah zou er Zeker het dubbele uit halen, als zij er in stond. Siti zwijgt op al deze verwijten, ze weet, dat die ongegrond zijn. Ze zet haar tanden op elkaar en doet haar best, zoveel ze kan. Dat gaat goed, zolang haar vader nog

Sluiten