Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ga maar naar de stal — en wacht daar/’ zegt hij.

Een half uur later is Siti aan de arbeid. Een vies werkje is het, wat ze te doen heeft: het schoonmaken van een mesthok, maar ze laat zich niet uit het veld slaan. Dat is een grapje van Ibrahim. Een nieuweling moet altijd een werkje doen, dat öf zo zwaar öf zo walgelijk is, dat er verzet volgt. En dan is er reden genoeg voor een tuchtiging, om de schuldige klein te krijgen. Voor Siti, het meisje, dat uit een betere omgeving komt dan de anderen, heeft hij het smerigste werkje uitgezocht. Maar als Ibrahim met zijn knoestige stok in de hand in de stal komt kijken, is Siti ijverig bezig. Ibrahim begrijpt er niets van; hij heeft gedacht flink van leer te kunnen trekken, maar daar is in ft geheel geen aanleiding voor te vinden. „Die zal tenminste d'r geld wel opbrengen,” denkt hij.

Om acht uur kan Siti wat maispap in de keuken komen halen. Dat is haar ontbijt. Ibrahim ziet hoe ze rustig met haar blikje pap uit de keuken komt, om weer naar de stal te gaan. Een half uurtje later gaat hij weer eens een kijkje nemen, om zeker te zijn, dat Siti nog even hard werkt als ze begonnen is. Maar het mesthok is slechts gedeeltelijk schoongemaakt en Siti is niet te vinden.

„Amat!” schreeuwt hij.

„Toewan.”

„Waar is Siti?”

„In de stal.”

„Neen — daar is ze niet.”

„Zo even was ze er nog.”

Het huis en de bijgebouwen worden doorzocht, maar van Siti valt niets te bespeuren.

„Ze is weggelopen,” schreeuwt de Arabier, terwijl hij met z’n stok driftig op de grond stampt. „Zoek

Sluiten