Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

PLEEGKIND.

De suikerfabriek „Kadipaten" wordt weer in gereedheid gebracht voor de volgende „campagne*', zo als men dat noemt. Machinist de Lange heeft wel veel in de fabriek te doen, maar hij is niet zo gebonden aan zijn werk, als in de tijd, dat de boel draait. En dus blijft hij wel eens langer aan tafel zitten dan wanneer zijn aanwezigheid in de fabriek ieder ogenblik noodzakelijk is. Ook op de morgen van Siti’s vlucht is hij nog een half uurtje in de achtergalerij blijven hangen. Hij kijkt de pas uit Holland ontvangen kranten in, terwijl hij echt geniet van z'n kopje lekkere Indische thee. Dan zegt z'n vrouw: „Man, kijk eens, daar zit Siti." De Lange kijkt op en ziet een inlands meisje gehurkt bij de keukendeur zitten.

„Siti? O, het dochtertje van Maryam."

„Ja — wat ziet ze er slecht en armelijk uit. Zo, Siti, wat is er?"

Het meisje staat op.

„Kom maar hier en vertel eens wat er aan de hand is."

Siti gaat op het trapje naar de achtergalerij zitten en zegt zachtjes: „Tabeh, njonja, (dag mevrouw), ik ben weggelopen."

„Van huis?"

„Neen, van Ibrahim."

„Hoe komt dat?"

Nu gaat Siti vertellen, héél zachtjes en verlegen, over

Sluiten