Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, vrouw?"

„Ik — ik — zou Siti wel hier willen houden. Als wij haar nu eens als pleegkind aanneraen ? Dan kan ik haar van alles leren en zij kan mij helpen. Daar heb ik al eens meer over gedacht. Met de kokki's en baboe's die telkens weer weggaan en hun eigen bemoeienissen in de desa hebben, kan ik toch niet praten — ik zou graag een meisje hebben, dat zich aan mij hechtte en waarvoor ik iets kon zijn. Wat zou je er van denken ?"

„Dat het een heel waagstuk is. Ik zou mij maar tweemaal bedenken, eer ik het deed."

„Ik heb er al zo dikwijls over gedacht en Siti wordt nu werkelijk op onze weg gevoerd."

„Alles goed en wel — maar de Arabier heeft rechten op haar."

„Ga eens met Ibrahim praten."

„Die laat niet los, wat hij in zijn vingers heeft — tengij — wacht eens," en de Lange denkt even na.

„Wil je werkelijk Siti in huis nemen?"

„Ja."

„Mag ik Ibrahim schadeloos stellen?

„Zeker — maar wat wil je doen!"

„Laat mij maar eens begaan — ik ga even naar de fabriek."

De Lange gaat naar de machinehal en maakt een praatje met den inlandsen opzichter. „Zo, dus je bent bereid te zweren, dat het waar is wat je mij vertelde, Noer ?"

„Ja mijnheer, dat ben ik."

Nu springt de Lange in zijn auto en rijdt naar het huis van Ibrahim. De Arabier is woedend, omdat Siti hem door haar voorgewende ijver en vriendelijkheid bij de neus genomen heeft, maar als hij ziet, dat de eerste machinist van Kadipaten hem wil bezoeken, zet hij

Sluiten