Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn gezicht in een vriendelijke plooi, „Je kunt nooit weten,” denkt Ibrahim. „Misschien zijn er zaken te doen, en dan is een vriendelijk gezicht een voornaam ding om succes te hebben,”

Ibrahim gaat zijn bezoeker tegemoet en legt ter begroeting zijn hand tegen het voorhoofd, terwijl hij zegt: „Salem Aleikem, vrede zij met U, edele heer. Neemt U plaats onder mijn nederig dak. Waaraan heb ik de eer van U bezoek te danken?”

De ander gaat op deze beleefde begroeting niet in en komt direct tot de zaak: „Het gaat over Siti, de dochter van Joesoep,”

Ibrahim moet zich beheersen om niet uit de stoel, waarin hij is gaan zitten, op te springen: „Wat is er gebeurd, dat een Hollander zich bezorgd maakt over een Javaanse baboe?” vraagt hij dan,

„Siti is gevlucht,”

wJa — en?”

„Ze is thans bij ons op de fabriek.”

„En U kwam zeggen, dat ik haar kan laten halen, nietwaar ?”

„Neen, ik kwam zeggen, dat ze bij ons blijft.”

„De grote heer moet weten, dat ik Siti pas gisterenavond van haar moeder heb gehuurd en dat zij dus in mijn huis behoort.”

„Zeker, zeker,” zegt mijnheer de Lange welwillend, „en ik wil U dan ook het geld, dat ge aan M'bok Merah betaalde, teruggeven.”

„Honderd gulden.”

„Neen, vijftig.”

„De grote heer gelieve te bedenken, dat zij mij meer dan vijftig gulden voordeel zou aanbrengen. Zij is flink, verstandig en ijverig — als ik geen honderd gulden van U krijg, laat ik haar door de politie terughalen.

Sluiten