Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik ben een arm man, edele heer, maar recht is recht. Nu, wat zegt U?"

„Dit: dat jij Oengsie, het kind van Wongso, hebt doodgeslagen."

„Ze is ziek geworden en toen heb ik haar naar huis gezonden."

„Neen, je hebt haar zo onbarmhartig geranseld, dat het kind thuis aan de verwondingen is overleden."

„Vraagt U Wongso zelf er naar, dan zult U horen, dat ik de waarheid spreek."

„Je hebt Wongso omgekocht, maar Noer, Wongso's broer, is bereid voor het gerecht onder ede de volle waarheid te zeggen — al te gunstig sta je niet aangeschreven bij den Landraad, Ibrahim. Als de zaak ruchtbaar wordt, vlieg je er lelijk in, vriend! Ik weet toch nog niet wat ik doe, maar als je het meisje — Siti — van Kadipaten laat weghalen of als haar iets overkomt, dan breng ik de zaak zéker aan het rollen."

Even denkt Ibrahim na, dan zegt hij:„Ik wil met mijnheer goede vrienden zijn: het meisje mag op ,Kadipaten' blijven en ik zal haar geen kwaad doen — geld hoef ik niet te hebben."

„Neen Ibrahim, je vijftig gulden krijg je weerom, ik ben niet gekomen om te profiteren van jouw streken. Maar wéé je gebeente, als ik weer iets hoor over mishandelingen — ik dien zonder pardon een klacht in."

Wat is Siti blij, als ze hoort, dat ze bij njonja de Lange mag blijven. Ze zegt, dat ze het moeilijkste en ruwste werk graag wil doen, als ze maar niet wordt weggestuurd. Ze huilt van blijdschap en kan zich haar geluk bijna niet indenken. Het kost mevrouw de Lange heel wat moeite om Siti te doen geloven, dat Ibrahim in het geheel geen recht meer op haar heeft en dat ook

Sluiten