Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er van en de toewan leest er 's middags over, uit het grote boek, dat Siti altijd op tafel legt. Zo druk kan het op de fabriek niet zijn, of machinist de Lange leest uit de Bijbel voor, in het Hollands natuurlijk, en soms vangt ze er wel een woordje van op. Maar om Siti óók te laten begrijpen, wat hij gelezen heeft, leest hij het daarna nog eens over uit een Soendanese bijbel. Soendanees verstaat Siti het best. — Ook de zendeling van Tjideres leest de Bijbel in de taal, waarin Siti heeft leren spreken. Eén middag in de week is zij in het zendingshuis, bij de familie Verhoop. Wat daar al niet besproken en verteld wordtl En hoe graag luister het meisje naar de pantoens (liederen), die de leerlingen der zendingsschool zingen, door njonja Verhoop op het orgel begeleid. Ze is zo gelukkig, Siti, dat ze het nu zo goed en rustig heeft. Met weemoed denkt ze dikwijls aan haar gestorven moeder, maar, nu die niet meer in leven is, had ze het niet beter kunnen treffen dan als pleegkind bij njonja de Lange.

Met een wijde boog loopt ze altijd om de waroeng van M'bok Merah, evenals om de woning van haar vader. Toch heeft Joesoep wel eens behoefte om zijn dochtertje te zien. En een enkele maal komt hij dan ook op „Kadipaten” aanlopen. Vooral als hij bij het spel gewonnen heeft. Dan brengt hij een kip of een partijtje mooie mandarijnen mee voor de njonja. Die neemt de gift glimlachend in ontvangst; ze wil Joesoep niet beledigen. En Siti’s vader is blij, als hij hoort, dat het zijn dochtertje goed gaat en dat de njonja tevreden over haar is.

„Haar moeder was ook zo flink en goed,” zegt hij zachtjes tot de njonja. En dan zucht hij, want hij denkt aan M’bok Merah, die wel flink is, maar niet goed. En over Siti durft hij tegen zijn vrouw niet spreken.

Sluiten