Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze weet toch wel, hoe het met Siti geschapen staat.

Het is tegen het ondergaan der zon, een mooie namiddag in de droge djd. Mevrouw de Lange is in haar slaapkamer en heeft zich verkleed voor het thee-uurtje. Als ze klaar is, opent ze een raam, om de frisse bergwind binnen te laten. Maar ze komt er niet toe het geheel te openen. Want ze aanschouwt een tafereeltje, waarvan ze haar ogen niet kan afhouden, en ze verneemt woorden, waarnaar ze ademloos luistert. In een hoekje van de tuin zit, in de schaduw van een bosje, Siti te midden van een tiental kinderen. En ze vertelt. De geschiedenis van de opwekking van het dochtertje van Jaïrus. Mevrouw de Lange glimlacht en huilt tegelijkertijd. Ze glimlacht om de eigenaardige manier, waarop Siti deze geschiedenis vertelt. Over het Joodse land spreekt ze niet. Goesti Jesoes wandelt door de heuvelen van de Preanger en Jaïrus is een Wedana (Inlands districtshoofd), het meisje draagt een gewone Soendanese naam en uitvoerig spreekt Siti van de plechtigheden vóór de begrafenis, alsof het een Mohammedaanse begrafenis betrof, die de familie van het gestorven meisje zou meemaken. Ja, om dat alles moet mevrouw de Lange glimlachen. Maar ze is getroffen door het echte, ware geloof en de liefde voor den Heiland, die uit Siti's woorden spreken. „Zó groot, zó machtig, zó liefdevol is Goesti Jesoes, dat hij zelfs dooden levend kan maken/*

En dan, plotseling, is er in het hart van mevrouw de Lange helderheid, terwijl er eerst duisternis was, en vreugde voor droefheid. Ze weet nu wat God wil en wat zij doen moet. Want ze heeft voor een grote moeilijkheid gestaan. De toestand op Java wordt slechter in plaats van beter. Er is geen kijk op, dat de suikerfabriek „Kadipaten** voorlopig weer in gebruik zal worden genomen. En de kans op een andere betrekking is heel

Sluiten