Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Alleen maar — ik vraag mij af, wat zal er van Siti worden, als ze op zich zelf staat ?"

„God zal zorgen, vrouw/'

Dan praat mevrouw de Lange met Siti.

„Je weet, dat wij naar Holland gaan?"

„Ja, mevrouw."

„En dat ik vroeg of je meeging."

„Ja, dat vroeg U."

„Je hebt gezegd, dat je met ons mee wilde gaan?"

„Ik ga waar mevrouw gaat."

„Zeg eens eerlijk, wil je mee, of blijf je liever in Indië, dan mag je de Zendingsschool aflopen en zal de directeur je helpen bij het zoeken van een betrekking."

Even is er verwondering en iets van geraaktheid in Siti's antwoord: ,,7/c zal mevrouw heel erg missen."

„Ik jou niet minder, Siti, maar ik vraag mij af, of het niet beter is voor jou, als je hier blijft."

„Misschien!" is het antwoord.

„Hoe bedoel je dat?"

„Ik ben U zoveel verschuldigd en ik moet U helpen, als U mij nodig hebt."

„Maar je kunt hier nuttig werk doen, Siti. Ik heb je vanmiddag gezien en gehoord, toen je in de tuin aan de kinderen van den Heere Jezus vertelde."

„O, U hebt het gehoord?" En Siti kijkt verlegen voor zich.

„En dat heeft mij op de gedachte gebracht, dat het wel waar is, wat de directeur heeft gezegd; dat je hier Zoveel goed werk kunt doen."

„Ik ben maar een dom Soendanees meisje. Aan kinderen vertellen, ja dat kan ik op mijn manier, maar verder weet ik zo weinig."

„De Heere Jezus wil je misschien gebruiken om Zijn Koninkrijk op Java uit te breiden."

Sluiten