Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mevrouw Vanheem ging naar haar eigen kamer en Tommy bleef alleen achter. Hij floot een liedje, dat hij van de stalknechts had gehoord. Hij kende er maar een paar regels van. „De zwarte neger, hi-ha-ho, de arme zwarte man....” Het was een mistroostig deuntje en misschien merkte Tom daardoor op, hoe stil het was in de kamer. Hij ging een ogenblik op het balkon staan en keek naar buiten. Waarom had zijn moeder eigenlijk zo beslist gezegd, dat hij niet naar buiten mocht ? Het was prachtig weer. Er streek een lauwe voorjaarswind door de bloesembomen en om deze tijd van het jaar was de zon zelfs 's middags om twee uur niet hinderlijk. Opeens had hij veel meer zin om naar buiten te gaan dan om binnen te blijven. Zijn moeder bleef maar denken, dat hij een kleine jongen was, die verdwalen zou en, wie weet, gestolen zou worden door negers of bandieten. Hij kende de omtrek beter dan zij. Op zijn eigen vlugge paardje Flambeau kon hij rijden, waar geen auto hem kon volgen. Waarom zou hij niet naar buiten gaan en een tochtje maken ? Vader zou het zeker beter voor hem vinden. Die stoommachine.... Wel, mijnheer Barkle bleef vast minstens drie dagen weg, morgen kon het wel regenen en de avonden waren er ook nog ! Moeder zou nu al wel op haar kamer zijn. Ze zou niet eens te horen krijgen, dat haar jongen er toch op uit was gegaan.

Tom ging naar de deur. Ai, hoe had hij het nu? Moeder had aan de buitenkant de sleutel omgedraaid I O, wat was die Tom boos. Hij was gewend om zijn zin te krijgen en nu stampte hij van kwaadheid op de grond. Opgesloten als een kleine stoute jongen I Nu zóti hij naar buiten, hoe dan ook.

Hij ging terug naar het balkon. Het leek hem een klein kunstje om zich daarvan af te laten glijden naar beneden. Jammer, dat vader een paar dagen geleden de kerseboom uit had laten hakken, die daar altijd voor had gestaan. Maar Tom vreesde geen sprong. Hij zou in het gras terecht komen en dat was in ieder geval zacht.

Sluiten