Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tom's hart sprong op van vreugde. Daar kwamen werkelijk drie jongens aan. Sedert de wintermaanden, die hij altijd in New York doorbracht, had hij geen jongen meer gezien. En dat was nu al vier weken geleden. Er was eerst sprake van geweest, dat hij deze zomer in New York had moeten blijven. Om zijn vrienden had hij het graag gedaan. Alleen met mijnheer Barkle had hij nooit eens echte jool. Maar de plannen waren plannen gebleven en hier zat hij nu in een boom te verlangen naar kameraden.

Daar kwamen die jongens, dichter bij. Ze hadden misschien een boodschap voor een van de stalknechts en deden die ook al speurend. Tussen de muur en het bos was een smalle strook open grasveld en dat renden ze over. Ze deden echt, of ze niet gezien wilden worden. Nu kon ook Tom hen niet meer zien. Ze moesten recht onder hem wezen. Hij hoorde hen praten.

Tom probeerde de jongens af te luisteren, maar hij hoorde alleen de stemmen en hij kon niets verstaan. Voorzichtig schoof hij naar voren op een tak. Verder, nog verder. De tak boog onder zijn gewicht. Hij greep hem stevig vast en liet zich op de muur glijden. Ritselend sloeg de tak terug tussen de andere.

„Hallo, pas op daar," riep hij naar beneden. Zonder bedenken liet hij zich glijden. Aan de buitenkant was de muur kaal en dat glijden werd bijna een hulpeloos neervallen, waarbij hij lelijk zijn handen en zijn knieën schaafde. Maar daar gaf Tom niets om, zo blij was hij, dat hij bij jongens terecht kwam.

„Hallo daar," groette hij vrolijk, terwijl hij opkrabbelde. Hij liep, een klein beetje mank van het vallen, naar het drietal toe.

„Waar kom jij vandaan?” vroeg de kleinste van het span, een vinnig ventje.

„Mijn naam is Tom," zei Tom Vanheem beleefd ; hij vergat om er ook zijn achternaam bij te zeggen. „Ik kom vanuit die lindeboom, waar ik de omtrek zat te verkennen."

Sluiten