Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Loopt die — eh, die oude Tom Vanheem hier wel eens rond ?” vroeg hij. Het ging hem toch niet makkelijk af, om zo over zijn vader te praten.

„Kun je denken,” schreeuwde Freddy. „Die weet wel, waar het veiliger voor hem is.”

Veiliger ? vroeg Tom zich af. Ze moesten eens weten, wie ik was!

„Zijn er bij dien Vanheem ook jongens ?” vroeg hij aan Jim.

„Hij moet één jongen hebben,” antwoordde Freddie, die alles hoorde en overal wat op wist. „Dat zal wel zo'n papkindje wezen. Ventje, moet je nog een soesje ? Of een lepeltje roomijs ?”

De jongens schaterden. Nu voelde Tom zich toch wel wat beledigd. Hij een papkindje ! Hij kon deze auto uit elkaar nemen en er heel wat beters van maken. Hij dacht aan de stoommachine.

En opeens zag hij heel duidelijk de leerkamer voor zich met het witte briefje op de bruine tafel. Straks zou Barbara het vinden. Neen, hij was niet bang. Niet voor Barbara en niet voor zijn vader en ook niet voor de groepjes mannen, die hij hier en daar zag staan praten op de weg. Een Thomas Vanheem was geen papkindje en hij was niet bang. Vanavond na het eten zou hij onverschillig-weg tegen zijn vader zeggen : „Ik ben vanmiddag bij de fabriek geweest en heb eens met die arbeidersjongens gepraat. U wilt er toch zeker geen vreemde werklieden bij halen, vader ? Neen, dat moet u niet doen. De vaders van die jongens zijn nu eenmaal altijd op de fabriek geweest.”

Ja, zo zou hij ineens een man zijn, die mee kon praten 1

„Nu zijn we in Blackie-town,” schreeuwde Fred. „Ginds heet het Happy-town, weet je, en een naam mogen wij toch ook wel hebben voor onze villa's.”

Blackie-town betekent „Zwarte stad” en waarlijk, die naam was goed gekozen. De vierkante blokken huizen, waar de Rode

Sluiten