Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de plaats van de losgetrokken leuning. De lucht was ook zo wee. Tom had er geen gedachte van, wat ter wereld er zo ruiken kon. Een vrouwenstem riep van boven af: „Zo, zijn jullie daar toch....” Ze voegde een paar woorden aan haar uitroep, die Tom bijna vloeken leken. En toch hoorde hij heel goed, dat ze blij was, de jongens boven te zien komen.

Ze stumperden over een smal gangetje en kwamen een kale vierkante kamer binnen.

„Ik heb visite meegebracht, moeder,” zei Fred, „eenkomediant om wat leven in de brouwerij te brengen.”

„Kind waar jij bent is dat heus niet nodig,” zei de moeder bijna verschrikt. Freddie maakte waarschijnlijk meer leven dan haar lief was.

Tom kwam nu in het volle licht van het raam staan. Fred,s moeder bekeek hem oplettend en Tom kon ook niet nalaten naar haar te kijken. Zij was klein en mager en schichtig in haar bewegingen.

„Hoe kom jij ertoe, met zulke deugnieten uit te gaan?” vroeg ze vriendelijk bestraffend aan Tom. „Je ziet er veel te netjes uit om in dat levensgevaarlijke rode ding te kruipen. En in deze opgewonden tijden is het maar beter om in huis te blijven voor kinderen als jullie.”

„Wij zijn geen kinderen meer, moeder,” zei Freddie beslist. „We zijn al haast mannen. Tom hier speelt al komedie. En hij Iran aan de ringen hangen als een eerste klas acrobaat.”

„Dat lijkt mij gevaarlijk werk,” zei Freddie's moeder zuchtend. „Maar aan de fabriek is het ook al niets. Ach, Here, een mens weet al niet, waar hij heen moet.”

Ze wreef met een oude lap de zitting af van een der wankele stoelen. „Ga zitten, beste jongen. Hoe is je naam? Tom? Ik Zal je Tony noemen, want de naam Tom horen we hier al veel te dikwijls. Tony, heb je honger?”

Sluiten