Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op. Breng me maar terug naar het bos.” Boven het gerammel van de kar uit vertelde hij : „Ik zal maar net doen, of ik daar de hele middag geweest ben. Niemand hoeft te weten, dat ik in de stad ben geweest. Misschien kan ik er morgen wel weer tussen uit snappen. Dat zou ik graag doen.”

„Bij ons ben je altijd welkom,” riep Fred.

De auto schoot het bos in.

„Helemaal stoppen hoeven we zeker niet?” vroeg Jim. „Rol er hier of daar maar uit, dan rijden wij met een bocht terug.”

Tom wachtte, tot ze bij een mossig plekje waren. Toen waagde hij de sprong.

„Tot morgen, jongens,” riep hij de wagen na. „Tot morgen, 't Is fijn geweest.”

Hij vond, dat hij een avontuurlijke middag had gehad.

Pas toen hij heel alleen in het bos liep, dacht hij met schrik : O, hoe kom ik nu weer binnen ?

Tegen de kale muur kon hij niet opklimmen. Hij zou naar voren moeten lopen en de grote klopper moeten gebruiken. Winfred zou hem open doen en natuurlijk zou hij aan Tom’s moeder vertellen, wien hij had binnengelaten. Nu zat Tom toch in de rats! Zijn moeder zou boos op hem zijn, en dat was hem nog nooit overkomen. Daarbij — zou ze morgen zeker de hele dag extra op hem letten.

Hoe dichter hij bij de hoge muur kwam, hoe langzamer hij liep. Kwam er nu toevallig maar iemand buiten, dan kon hij door het kleine bediendenpoortje naar binnen glippen. Daar — o, daar liep iemand. Tom keek eens en nog eens. Toen zette hij het op een lopen. Want daar — was Barbara. Die goede oude Barbara! Ze liep langs de muur heen en weer, of ze op iemand wachtte. Natuurlijk wachtte ze op hém.

Sluiten