Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tom vloog haar om de hals.

„Dag, Barbara 1” Hij gaf haar een stevige pakkerd, zoals hij dat vroeger gewend was te doen, toen hij nog een kleine jongen was. Dat deed hij met opzet, die rakker. Hij wist, dat ze dan niet op hem brommen zou.

Toch bromde Barbara nu wel op hem, al was het dan Zachtjes.

„Kwajongen,” knorde ze, terwijl ze hem stevig tegen zich aandrukte, „kwajongen, wat heb je me laten schrikken! En dat blijft daar uren weg! Kind, kind, als je wist, hoe gevaarlijk de tijden waren!”

„Zeg, oude Barbara, ik ben geen baby meer,” lachte Tom. Hij rekte zich uit, tot hij bijna een half hoofd boven het dametje uitstak. „Over mij hoef je je nooit ongerust te maken, hoor I”

„Och, kind, och, kind I” De oude Barbara beefde nog. „Wat had ik toch tegen je lieve mama moeten zeggen, als je niet thuis was gekomen?”

„Wel, ik bén thuis gekomen,” lachte Tom. „En nu zeg je zeker maar helemaal niets, wel, Barbara ? Je zult mama niet nodeloos ongerust maken, hè ?”

„Ik weet niet, of ik daar goed aan doe,” zuchtte Barbara. „Waar ben je geweest, master Tom?”

„Och, overal zo'n beetje,” zei Tom vaag. „Het was prachtig weer en het bos is fijn.” Daarmee jokte Tom nu gelukkig eens niet. Hij begon zelf te merken, dat hij vol zat met uitvluchtjes — en .... eigenlijk was dat toch niets voor een jongen !

Hij ging nu met Barbara door het bediendenpoortje mee naar binnen. Op de leerkamer stond zijn thee nog te wachten. Tom keek opmerkzaam naar de schaal, die naast het theeblad midden op de tafel prijkte. Er lagen geroosterde boterhammetjes op, met jam en marmelade besmeerd. En er lag ook rozijnencake, waar hij zo veel van hield.

Sluiten