Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V

BIJ DE JONGE ARENDEN

Eindelij 1$ hoorde Tom iets. Zijn dragers fluisterden met elkaar. Iemand leek het pad te kruisen. Toen werd hij neergelegd.

n.i. i ” x i- i f TT” i L.x i i

Dat hij toch niets zien kon ! Hij kreeg het benauwd ook. Hij had een gevoel, of hij ziek werd. Hij deed pogingen om zijn handen los te wringen. Iemand duwde hem op zijn schouder. Een ander schopte tegen zijn hand. Oho, dit was iets anders dan thuis door moeder en Barbara en de bedienden naar de ogen gekeken te worden ! Nu zou Tom er niets op tegen hebben gehad, als iemand op de gedachte was gekomen, dat hij eigenlijk nog maar een kleine jongen was !

Toen — hij kon zijn oren niet geloven ! — toen hoorde hij jongensstemmen. Vlak bij zich. Er waren hier jongens ! Hij ging zich voor liggen stellen, dat die jongens hem misschien zouden willen helpen om weg te komen. Hij kon hun van alles beloven. Zijn stoommachine. Zijn electrische trein met rails en stations en lampen en seinen. Die was toch prachtig. Hij kon hun zelfs zijn jachtgeweer beloven of zijn beste Flambeau. Neen, over het paardje zou hij zwijgen. Ze konden Dickie krijgen, zijn hond, een fox-terrier. Hij was een kwaadaardig-beest en in het begin zou hij zijn nieuwe bazen wel bijten. Maar later werd hij trouw. Dickie! Tom moest niet te veel aan zijn hond gaan denken. Hij voelde de tranen in zijn ogen komen en, verbeeld je, hij had zijn handen niet vrij om ze weg te vegen 1 O, als de jongens hem

Sluiten