Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op Fred. De kleine, vlugge jongen kwam naar hem toe en begon zelf aan de touwen te prutsen.

„Jongens, dat zijn knopen,” zei hij. „Ja, hoor eens, Tom, de jongens konden niet weten, dat je een vriend van mij was. Anders hadden ze je wel op een andere manier naar onze kampplaats gebracht. En, weet je” — ging hij vertrouwelijk door — „dit bos is altijd zo stil. Overal aan deze kant van de spoorlijn. We hebben nog nooit eerder kans gehad voor een echte overval. Zei je, dat je geen van de jongens hebt gezien ? Dat hebben ze ’m dan toch maar handig gelapt.”

Tom kon geen schik hebben in die handigheid. Hij keek nog altijd boos naar Freddie en de andere jongens, in plaats van blij te zijn.

„Wat deed je zo ver in het bos ?" vroeg Freddie op vriendelijke, verzoenende toon.

„Ik zocht jullie,” barstte Tom los. „Ik had me er heel wat van voorgesteld, om weer een ochtendje met jullie uit te kunnen gaan, maar nu is mijn plezier er af.”

„Waarom ?” vroeg Freddie onschuldig, „je hebt nu toch je doel bereikt? Je bent bij ons, en bij al onze andere vrienden bovendien.” Hij keerde zich naar de jongens, die nieuwsgierig naar dit gesprek stonden te luisteren. „Jongens, dit is Tom, een komediant. Een beste kerel, die heel Amerika rond reist in een woonwagen. Zullen wij hem ook maar lid van onze dub maken ?”

De jongens keken elkaar eens aan. Zij schenen nog te weifelen.

„Wat heeft hij er aan?” vroeg de jongen met de schorre stem.

„Hij wil het graag,” zei Freddie, die dat blijkbaar heel gewoon vond. „En ik zal het ook mooi vinden, als er vandaag of morgen een jonge Arend wegvliegt van Blackie-town. Als we hem aannemen, kunnen we weer eens een inwijdingsvergadering houden.”

Sluiten