Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Freddie kroop uit de tent en blies op zijn vingers. Wat een schel geluid gaf dat! Hij dacht er nu zeker niet aan, dat de boswachters hem zouden kunnen horen. De jongens hadden links en rechts onder de bomen gezeten ; blijkbaar had alleen de kapitein een tent. Ze kwamen nu van alle kanten aangelopen. Tom telde er veertien. Ze stonden rechtop, als soldaten rond hun veldheer, en Freddie zelf stond ook kranig in de houding. Tom vond het een mooi gezicht, daar onder die groene bomen.

Weer blies Freddie op zijn twee vingers. Dadelijk daarop vroeg hij :

„Jongens, wie zijn wij ?”

En het antwoord kwam, stipt uit veertien monden tegelijk :

„Wij zijn de jonge Arenden.”

„Wat willen wij ?” vroeg Freddie.

„Wij willen helpen, overal, waar het te pas komt.”

Veertien armen gingen tegelijk omhoog, als om kracht te zetten bij die wens.

„Wie willen wij helpen ?” vroeg Freddie verder.

„Iedereen,” riepen de jongens.

Tom had met ontzag geluisterd. Nu die veertien jongens tegelijk dat allemaal zeiden, klonk het heel anders dan alleen uit Freddie's mond, daar onder dat lage tentje. Helpen 1 Verdorie, hij had er nog nooit over gedacht, een ander te helpen. Hij had maar zijn leswerk gemaakt, of niet gemaakt. Hij had gespeeld en gereden en gejaagd en alles gedaan, waar hij maar zin in had. En hij had er geen ogenblik over geprakkizeerd, dat hij ook wel eens een ander zou kunnen helpen. Gisteren — gisteren had hij er de gelegenheid voor gehad — door met zijn vader over die stakers te spreken. Maar toen had hij het niet gedaan !

Nu richtte Freddie zich rechtstreeks tot Tom.

„Tom, uit naam van alle jonge Arenden, hier tegenwoordig,

Sluiten