Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI

WIE IN 'T SCHUITJE ZIT, MOET MEEVAREN

Zelfs de Rode Ben leek te begrijpen, dat de jongens te opgewonden waren om lang bezig te kunnen blijven met een

«4. TT» i . j-uü. j : i ui 1

^ onwillige motor* Hij zette er dadelijk de gang in en hobbelde vooruit over de ongelijke bosgrond. De jongens gingen nu niet naar het station, maar gebruikten de volgende overweg, een paar kilometer verderop.

Tom zat door het mica naar buiten te staren. Hij vroeg zich af, wat hij nu doen moest. Hij kon toch niet, met die jongens mee, de zaak van zijn vader bestrijden? Al wilde hij nóg zo trouw zijn aan zijn belofte — en dat was hij van plan — hij hoefde toch niet de arbeiders tegen zijn eigen vader te helpen ! Freddie zat naast hem met een air, alsof hij een veldheer was, die zoëven een beslissende overwinning had bevochten. Ja, voor Freddie was Tom’s vader de vijand. Maar voor Tom was die strenge fabriekseigenaar zijn beste vriend. Hij zag hem in zijn verbeelding weer op zijn knieën liggen bij de trein, die weigerde de berg op te rijden, waar hij en Tom een halve middag aan hadden zitten bouwen. Hij dacht aan het vorige najaar, toen vader hem voor het eerst meegenomen had op jacht. Hij had wel gezien, dat de andere heren hem maar een kleinen jongen vonden en half-en-half een last ! Als Tom maar zo flink was geweest als hij graag wilde zijn, dan had hij Freddie door elkaar geschud en hem gezegd: „Nu weet je het eens en voor goed: die oude Tom Vanheem is

Sluiten