Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn ons daar liever kwijt dan rijk, dus we horen er niet eens veel van.”

„Neen maar,” riep Tom verbaasd, „daar in het bos dacht ik, dat jullie zulke brave jongens waren.”

„Hè ?” vroeg John, met zijn mond heel wijd open.

Daar kwam Freddie de straat weer op. Hij zag er heel teleurgesteld uit.

„Nu willen ze doen, of ze er alles al van weten,” zei hij. Tom zag, dat hij bijna tranen in zijn ogen had. „Ze lachen ons uit en ze houden maar vol, dat ze ons kunnen missen als kiespijn. Dat krijg je nou te horen, als je wil helpen.”

Freddie moest eens weten, hoe goed ik zal kunnen helpen, dacht Tom. Hij was nu dubbel-vast besloten, dadelijk als hij thuis kwam alles, wat hem was overkomen, aan zijn moeder te vertellen.

„Hoe laat was het, toen die school uitging ?” vroeg hij.

„Half twaalf,” zei John.

„Dan moet ik nu terug.” Tom zei het heel beslist. „Nu de mannen je niet nodig hebben, kun je mij misschien wel helpen, door me zo gauw mogelijk weerom te rijden, Freddie.”

„Hè ?” Freddie was alweer teleurgesteld. „Ik had je ons grote kamp nog willen laten zien. Daar is het pas fijn. Dat moet je als lid toch gezien hebben. Het ligt zo goed verstopt. Er zijn bijna nooit anderen dan jonge Arenden geweest. Jemig, nee, Tom, je moet eerst nog even mee daarheen.”

Maar Tom hield voet bij stuk.

„Later, als ik weer eens hier kom,” zei hij. „Ik moet nu heus naar huis. We.... we rijden vanmiddag weg.”

„Vooruit dan maar,” zei Freddie, nu weer op zijn kapiteinstoon. „Maar denk er aan : waar je ook bent — vergeet je belofte niet.”

„Nooit van m'n leven,” verzekerde Tom.

Drie spannende dagen - 5

Sluiten