Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII

BIJ FATHER TIMMERMANS

De eerwaarde pater Timmermans had zijn brevier lopen bidden op het open veld voor zijn kleine pastorie. Alleen de hommels en de bijtjes hadden hem gestoord in zijn gebed. Toen hij na een laatste kruisteken zijn boek sloot, keek hij diep Zuchtend van voldoening om zich heen. Wat was het land mooi zo in het voorjaar. En wat was het vredig hier. Het was haast niet te geloven dat zo dichtbij een kleine stad in oproer was door een staking. Als pater Timmermans achter zijn kerkje ging staan, kon hij de schoorstenen zien van de fabriek van mijnheer Vanheem. Lang vóór de fabriek gebouwd was en de stad als bij toverslag daar rondomheen oprees, hadden de paters dit mooie plekje al uitgezocht, om er het middelpunt van te maken van een uitgestrekte parochie. Uren in de omtrek verspreid woonden de boerenfamilies, die hier ter kerke kwamen. Het was een eenzame post voor den reverend father; drie zusters, die met elkaar een kleine communiteit vormden, deelden in bidden en werken die eenzaamheid.

De klok van twaalven had nog niet geluid en de pater had een paar minuten over voor zichzelf. Hij haalde een brief uit zijn binnenzak en scheurde die open.

„Riek heeft haar best gedaan," lachte hij in zichzelf, toen hij de dichtbeschreven velletjes uit de envelop haalde.

Sluiten