Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat gehoord had van zijn moeder. „Het is een bof voor mij, dat hij hier vlak bij het kamp woont. Nu heeft moeder nooit bezwaar als ik hier heen ga en eens een nachtje wegblijf. Zij is ook RoomsKatholiek, weet je.”

„O,” zei Tom vaag. Hij begreep er niet veel van, maar hij nam zich voor, daar Freddie later wel eens naar te vragen. Dat geschreeuw in die auto werd zo vervelend.

„Pas op,” riep Freddie.

De Rode Ben schoot plotseling een holle weg in en reed met zijn neus tegen een zandhoop.

De jongens stapten uit. Nog was er van een kamp niets te zien. Freddie liep vooruit, langs de zandhoop, dieper de weg in. Die steeg al gauw. Daar kwamen zij van tussen de rotsige kanten uit op een kleine open plek, dicht omzoomd door laag hout. Hier stonden een paar armoedige tenten opgesteld. Ze waren in elkaar geflanst van oude dekzeilen en van alle stof, die maar enigszins dienst had kunnen doen. Boven iedere tent wapperde een klein vlaggetje en boven de middelste buitendien nog een witte wimpel, waarop een hand was geschilderd.

„De helpende hand,” wees Freddie. „Dit is mijn tent.”

Er was nog geen van de andere jongens.

„Het is voor de club altijd een eind lopen,” legde Fred uit. „Met Rode Ben kunnen we vier keer heen en weer gaan naar het dorp, eer zij hier zijn.”

Tom ging op de grond liggen en keek het kamp eens rond. Daar waren nu die jongens zo groots op ! Het was goed, dat de plek hier beschut lag en hoog, want die oude lappen waren vast geen goede beschutting tegen regen en wind. Tom had eens met een paar vrienden gekampeerd bij het Michiganmeer. Toen was hun uitrusting perfect in orde. Ze hadden prachtige tenten gehad. En alle mogelijke gerief, zodat ze niets te kort kwamen. Maar ze hadden in die dagen geen enkel avontuur beleefd en een van de

Sluiten