Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Tom hielp hem eraan. „Geworpen,” zei hij. „geworpen op onze club van goede helpers. Dat hebben de mannen van onze stad gedaan. Die willen zeggen, dat wij niet helpen kunnen. Dat is 'n gemene leugen, want iedereen, die twee handen aan zijn lijf heeft, kan een ander helpen, zegt mijn moeder. En daarom vraag ik jullie, mannen, wat kunnen we doen om eens te laten zien, dat wij een eerste-klas-club hebben ? Wie wat weet, die steekt zijn hand maar op.”

Er ging geen enkele hand omhoog.

„Eenmaal, andermaal, voor de derde maal ?” vroeg Fred plechtig. „Mannen, bedenkt wel, dat de eer van de club er van afhangt 1”

„Zeg jij dan wat!” riep de jongen met de grove stem. Hij heette Frank.

„Ik hoef toch niet altijd alles te weten,” wierp Fred tegen.

„Jij bent toch de kapitein,” zei Frank een beetje spottend. Tom zag dien Frank niet zo graag, het leek hem een onverschillige jongen.

Freddie was helemaal niet verlegen met zichzelf.

„Omdat ik kapitein ben, moet ik juist de jongens laten praten,” zei hij Waardig.

„Wie moeten we helpen ?” vroeg Tom. Hij dacht zo, dat ze al een eind heen zouden zijn, als ze dat wisten. Hij herinnerde Zich het verhaal, dat hij gelezen had over een armen Savoyard, die een stokoud vrouwtje hielp met het beetje geld, dat hij zelf had verdiend met schoorsteenvegen. En hij vroeg zich af, of er soms in de stad arme oude vrouwtjes zouden wonen, die hulp nodig konden hebben.

Het antwoord, dat kwam, was verrassend voor hem.

„De stakers, natuurlijk,” riepen alle jongens tegelijk.

„Maar waarom juist de stakers?” vroeg Tom. „Het komt mij voor, dat die zichzelf wel kunnen helpen.”

Sluiten