Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mevrouw Vanheem. „Het kan zijn, dat uw kinderen en mijn jongen bij elkaar zijn.”

„Nu zal het me overkomen/’ riep opeens Freddie's moeder met haar schelste stem. „Straks zitten die schelmen bij elkaar in het jongenskamp. Had uw zoontje bruine ogen, mevrouw? En zag hij er erg netjes uit ?”

Vergeten was alle onenigheid. De arbeiders en hun vrouwen luisterden allemaal in spanning naar Rosa Flye en mevrouw Vanheem.

„Ja, ja, Tom heeft bruine ogen,” riep Tommy's mama.

De detective was nu ook uit de wagen gekomen.

„Waar is dat kamp ?” vroeg hij.

„Voor zover ik weet, dicht bij de kerk,” zei Rosa Flye.

Er kwam een grote bruine auto aangereden, een overvalwagen van de politie. De commissaris had het opstootje van verre gezien en wilde mijnheer Vanheem te hulp komen.

„U kunt hier wel weggaan,” zei mevrouw, toen de wagen door het volk heen was gemanoeuvreerd. „Wij kunnen ons zelf wel helpen.”

De commissaris keek verbluft. De vrouwen rondom riepen : „Let liever eens op onze kinderen."

„Goede mensen,” riep mevrouw Vanheem, „wij gaan naar het jongenskamp en als uw kinderen daar zijn.... ”

„Wij gaan mee, wij gaan mee!” riepen de mensen.

Toen de auto de weg op reed, zochten de arbeiders de kleine slingerpaadjes, waar ze 's Zondags met hun kinderen gingen wandelen. Ze wisten nu dat het kamp bij de kerk was. O, naar de kerk wisten ze wel kortere wegen. Ze liepen zo hard als ze konden. En omdat de auto niet met volle vaart voort kon gaan, kwamen ze niet veel later dan Rosa Flye, die als gids had meegereden, op de weide voor de kerk aan.

Sluiten