Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN WONDERBARE ONTDEKKING

„Dat kunt U wel aan ons overlaten, mijnheer”, antwoordde Kees geduldig.

„Dat geloof ik ook wel”, verklaarde de vreemdeling lachend. „Nu, goeden morgen hoor!”

„Goeden morgen, mijnheer.”

„Aardige kerel”, zei Kees, toen de vreemde snuiter een goed eind bij hun wagen vandaan was. tS

„Een beetje nieuwsgierig”, vond Hans. *v '

„Een beetje wel”, gaf Kees peinzend toe.

Hij staarde nog steeds in de richting, waarin de vreemdeling verdwenen was.

„Zie je ze vliegen?”, vroeg Hans, die niet begreep waarom Kees maar in diezelfde richting bleef staren.

„Misschien. Ik ben er zeker van, dat ik dat gezicht meer gezien heb.”

„Dat van dien vreemden snuiter?”

„Ja. Denk eens goed na, Hans.”

Hans dacht goed na, maar kou zich niet herinneren den man ooit gezien te hebben.

„Laten wij liever opschieten, Kees”, drong hij aan. „Wij heb/ ben nog één vrachtje.”

Kees gaf onmiddellijk aan het verzoek van Hans gehoor, nam 'een pak op zijn nek en volgde zijn vriend voor de laatste maal naar de oude schuur. Daar was het nu weer een rommel van belang en leek het wel of er zo juist een stelletje landverhuizers neergestreken waren.

„Wat zullen we doen, Hans?”, vroeg Kees, nadat zij hun laatste vrachtje neergezet hadden en even uitrustten in het malse gras. „Eerst de schuur openmaken?”

„Laten wij liever eerst de tent opzetten”, stelde Hans voor.

„Hoezo?”

„Wel. Ten eerste is dat een heel karwei en ten tweede weten wij niet, hoe die schuur er van binnen uitziet. Valt zij erg tegen, dan hebben wij er heel wat aan te knoeien. Staat de tent een-

Sluiten