Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN VEELBEWOGEN MIDDAG

„Voor straf help ik niet met het afwassen van het vaatwerk”, zei Kees na het eten.

Hans sputterde niet tegen en begon gelaten de boel schoon te maken. Tenslotte was hij blij dat het achter de rug was. Hij had in ieder geval geleerd dat je met boter, die eerst met groene zeep en daarna met azijn in aanraking gekomen was, niets goeds kon beginnen.

Een uur na het begin van die eerste maaltijd lagen zij allebei vreedzaam in de tent en deden op hun gemak een dutje.

Toen zij ontwaakten was de middag al een eind gevorderd. Zij waren heerlijk uitgerust en hadden alle twee een geweldige behoefte om een bad te nemen. Zij zochten hun zwembroeken op en dankten in alle stilte de trouwe zorgen van hun moeders, want die hadden alles zo gepakt dat zij wat ze nodig hadden gemakkelijk konden vinden.

„Laten wij in ’t haventje gaan”, stelde Kees voor. „’t Lijkt me daar een pracht gelegenheid.”

„Is het water niet te laag.”

„Neen. Het is er met laag water nog diep genoeg, denk ik.”

„Vooruit dan maar.”

Opgewekt stapten zij naar het haventje dat Kees ontdekt had. Afgezien nog van de avonturen die zij hadden meegemaakt, waren zij deze eerste dag erg in hun sas. Zij voelden zich gelukkig en gezond, in de kostelijke weelde van de prachtige, hete zomerdag. Toen zij dan ook het haventje tot op enkele meters na genaderd waren, schoot Kees met een soort indianengehuil vooruit, op deze wijze uiting gevend aan de geweldige levenslust die hem bezielde. Maar toen hij de struiken doorgeworsteld was die het haventje omsloten en de glooiing langs naar het lage water keek, bleef hij stokstijf staan. Hij verroerde zich pas toen Hans naast hem was komen staan.

„Zie je dat daar?”, vroeg hij hees.

„Snap je dat nou?”

Hans knikte ernstig toestemmend.

„Ik niet,”

Sluiten