Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN VEELBEWOGEN MIDDAG

„Ben je gek. Je denkt toch niet dat hij daar op ons zit te wachten?”, antwoordde Kees geringschattend.

„Je kunt het toch niet weten. En al levert het geen resultaat op, leuk is het toch altijd.”

Voor dit laatste argument scheen Kees meer te voelen. Hij sputterde niet langer tegen.

„Vooruit dan maar, op je tenen.”

Als volleerde Indianen die op het oorlogspad waren slopen zij achter elkaar in de richting van de schuur. Het was op dat moment verrukkelijk stil in de gehele omtrenk. De boten op de rivier schenen te slapen en de fabrieken in de omtrek deden ogenschijnlijk een dutje. Daarbij was het nog steeds drukkend heet. Effen hlauw, zonder een enkel wolkje, welfde de hemel zich boven de aarde en onbarmhartig scheen de zon op het open terrein.

Voetje voor voetje naderden de jongens de schuur. Qek, hoewel zij bijna zeker wisten dat zij niets zouden vinden, klopte hun hart sneller. Zij betreurden het alleen dat het geen nacht was, dan was het pas een echte speurtocht geweest. Zonder ongelukken of ervaringen bereikten zij de schuur. Zij slopen langs de vermolmde houten wanden en wierpen een blik door het venster. Niets bijzonders was er te ontdekken. Juist als ’s morgens lag het interieur voor hen. Niets wees er op dat er in hun afwezigheid een bezoeker geweest was.

„Dat valt me tegen, Kees”, fluisterde Hans.

„Mij niet, mannetje.”

„Willen we nog eens even binnen-kijken?”, vroeg Hans, wiens zucht naar avonturen hem danig te pakken had.

Samen slopen zij verder langs de houten wand naar de om de hoek gelegen deur.

Doch op ’t zelfde moment dat zij de hoek omsloegen bleven zij staan als was de bliksem voor hun voeten ingeslagen. Want vlak voor hen, schommelend op een stoel, met zijn rug tegen de deur, zat de vreemdeling "en zijn witte vest, met het licht gekleurde borduursel, schemerde voor hun ogen als de witte vacht van een dreigend op hen afkomend monster.

Sluiten