Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MAN UIT JAPAN

ten. Kees was de eerste die enige wrevel gevoelde, omdat hij zich door den eersten de besten kerel dien hij ontmoette liet commanderen. Al was die man duizend keer een heer, al droeg hij een vest, smetteloos wit en versierd met veelkleurige bloemen, tenslotte bleef hij een indringer, die niet het recht had zo maar bezit te nemen van andermans spulletjes. Neen, hij en Hans, zij beiden, hadden de meeste rechten op de schuur; als zij wilden, hadden zij den eigenaar maar op te zoeken en de man werd met al zijn mooie spulletjes naar het politiebureau gebracht. Ongetwijfeld bezielden ook Hans dergelijke gedachten, maar zijn romantische aanleg deed hem al lang dromen van onmogelijke dingen; want in zijn ogen was die witgeveste vreemdeling een rasecht misdadiger.

„Jullie zijn zeker wel een beetje verbaasd, mij hier zo keurig geïnstalleerd te vinden, niet jongelui?”, vroeg de vreemde man, met deze woorden de gedachtegang van de jongens onderbrekend.

Kees, die eigenlijk al een poosje geloerd had op een gelegenheid om dien man eens precies te vertellen hoe hij over hem dacht, trok de stoute schoenen aan en antwoordde: „Meer dan verbaasd, mijnheer. Eerlijk gezegd, begrijpen wij niet wat U hier doet. Heeft U van den eigenaar toestemming om deze schuur in te richten zoals U gedaan hebt?”

Kees wist drommels goed, dat hij zich aan een geweldige onbeleefdheid schuldig maakte, door zulke op den man af gestelde vragen, maar hij was inwendig zo woedend op den vent, dat het hem op dit moment geen zier kon schelen. De vreemdeling scheen echter niet in het minst beledigd te zijn door de onbeleefdheid van Kees, want hij antwoordde, nog steeds op dezelfde gemoedelijke toon: „Ik heb helemaan geen toestemming. Vinden jullie dat zo erg?”

„Wij wel, mijnheer. Qewoonlijk ga je niet in het eigendom van een ander wonen zonder toestemming”, zo mengde Hans zich in het gesprek.

Was Kees al niet erg Beleefd geweest, Hans maakte het nog

Sluiten