Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MAN UIT JAPAN

weldadige rust er van deze mooie zomeravond uitging. Zij hadden geen van beiden op dat moment enige behoefte aan het een of ander opwindend avontuur en zij zouden het zeker betreurd hebben, als op dat moment de figuur van den vreemdeling tussen de wilgenbosjes vandaan te voorschijn gekomen was en de nu sluimerende argwaan weer wakker geroepen had. Een vol uur zaten zij, slechts schaars sprekend, voor zich uit te staren, in zich opnemend de kalmeerende schoonheid van de naderende nacht.

Toen de grote stadstorenklok haar tien slagen de heldere, geruchtloze nachtelijke hemel inzond, stond Kees op, trok zijn schoenen uit en zei: „Inrukken, Hans. ’t Is hoog tijd.”

Hans aarzelde ook niet langer en binnen weinige minuten lagen de beide jongens in een heerlijk gezonde en verkwikkende slaap.

In de oude loods, die haar hoog pannendak als een soort dreiging de nachtelijke hemel in stak, zat voor een der vensters een man met scherpe ogen in de nacht te staren. Zijn witte vest was een bleke vlek in de duisternis die hem omringde.

Enkele dagen gingen voorbij, waartussen een Zondag die gevierd werd met een gang naar de kerk in de stad en met een bezoek aan de ouderlijke woning. Enkele noodzakelijke dingen moesten worden verricht, zoals het verwisselen van ondergoed en het aanvullen van proviand. Zowel de ouders van Kees als van Hans informeerden belangstellend hoe de jongens het in ’t kamp maakten en waren net zo blij als hun zoons, toen zij vernamen dat zij zich kostelijk amuseerden. Zorgvuldig vermeden de jongens te spreken over het bezoek van den vreemdeling, bang als zij waren dat hun ouders er zich mee zouden bemoeien, waardoor zij niet alleen hun belofte tegenover den man uit Japan zouden schenden, maar waardoor er tevens grote kans bestond dat zij zich zelf onttrokken aan een op komst zijnd avontuur.

Weer terug in hun kamp vulden zij de dagen met roeien,

Sluiten