Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MAN UIT JAPAN

elkaar regelmatig af en de wind werd bijkans een halve storm,

„Wat een weer”, fluisterde Hans, wiens hart onrustig klopte.

„’t Is geweldig”, fluisterde Kees terug die in zijn hart even onder de indruk was als Hans.

Toch gingen zij moedig voorwaarts. Zij waren de onderneming nu eenmaal begonnen, dus er zat niets anders op dan ze tot een goed einde te brengen. Het onweer nam met elke minuut in hevigheid toe. Spreken werd onmogelijk. Als schimmen gleden de jongens over de doorweekte grond, tot plotseling iets donkers voor hen opdoende. Dat moest de loods zijn. Nu werd oppassen de boodschap. Vastberaden, doch met de nodige voorzichtigheid naderden zij het oude gebouw. Niets wees er op dat daar een levend wezen huisde. Geen schijnsel van licht verraadde de aanwezigheid van den vreemdeling. En toen zij zo goed en zo kwaad als dat ging de oude loods rond geslopen waren en voorzichtig geloerd hadden door de niet met blinden afgesloten ramen, konden zij wel aannemen dat de vreemdeling niet thuis was. Het was in ieder geval een ontdekking die de moeite loonde. De vreemde man kon natuurlijk op reis zijn, dat spreekt vanzelf, maar al was dat zo dan bleef dat toch, in verband met zijn voorliefde voor rust en werken, een opmerkelijk iets.

„Of zou hij net als wij over het terrein sluipen?”, vroeg Hans, nadat zij zich in de duisternis in een vrij groot wilgebosje hadden terug getrokken.

Een felle bliksemstraal, bijna onmiddellijk gevolgd door een hevige donderslag, belette Kees te antwoorden.

„Hè”, zei hij alleen en ’t was goed dat het pikdonker was, want anders had Hans gezien dat Kees wit zag van de schrik. Trouwens, Hans’ gelaat zal zeker niet veel meer kleur gehad hebben.

Na die laatste hevige uitbarsting scheen de bui Iets in kracht af te nemen. Het woei nog sterk en ’t kwam de jongens voor dat de lucht brak. Ongetwijfeld zou over enige tijd de maan te doorschijn konten, Ze konden er dan ook wel oj> rekenen, dat

Sluiten