Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI

B TERWIJL HET KAMPVUUR VLAMDE

ij het licht van een electrische zaklantaarn dronken de jon¬

gens hun hete chocolade. Hun gezichten blonken spookachtig in het licht. Er stond duidelijk op te lezen, dat zij het laatste uur benauwde ogenblikken hadden meegemaakt. Geen van

beiden hadden zij nog een woord gezegd, maar het was aan geen twijfel onderhevig of hun gedachten waren nog steeds bij den vreemdeling. Zij waren verplicht zich te verkleden, want zij waren doornat. Met een badhanddoek wreven zij elkander goed droog, zodat zij weldra lekker warm waren. Toen trokken zij het reserve stel ondergoed aan, dat zij de Zondag dat ze thuis geweest waren hadden meegenomen. Daarna kropen ze met een zeker soort welbehagen in hun slaapzak.

Nu meenden zij de tijd gekomen om eens wat te praten over de merkwaardige gebeurtenissen, die zij hadden meegemaakt, ’t Was echter of zij nog steeds bevreesd waren, dat de man uit Japan opnieuw uit de een of andere duistere hoek te voorschijn zou komen, cm nóg eens een bewijs te geven van zijn merkwaardig vermogen dramatische momenten te scheppen, want zij keken allebei telkens schichtig naar de tentingang en durfden slechts fluisterend over het avontuur te spreken. Het Spreekt vanzelf, dat zij volkomen in het duister tastten omtrent hetgeen zij hadden gezien. Waar was die vreemdeling zo plotseling vandaan gekomen? Zij hadden bijna zeker menen te weten, dat hij niet in de loods was. Er brandde immers geen licht en welk mens met goede bedoelingen bleef nu in de duisternis zitten, als de aarde geteisterd werd door een noodweer als zij zoeven gezien hadden?

„Zou hij misschien geslapen hebben, toen wij door de ruiten keken?”, vroeg Hans, na een periode van zwijgen, waarin hun gedachten bezig waren de dolste sprongen te maken.

„Dat lijkt mij niet waarschijnlijk. Toen de snuiter naar buiten kwam, maakte hij helemaal niet de indruk van haastig gekleed

Sluiten