Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERWIJL HET KAMPVUUR VLAMDE

te zijn”, verklaarde Kees. „Trouwens, ik vind die plotselinge verschijning niet het grootste raadsel.”

„Wat dan wél?”

„Hoe hij wist waar wij ons verborgen hadden!”

„Je zou zo zeggen dat hij vanaf het eerste moment af dat wij hem gevolgd zijn, geweten heeft dat wij achter hem liepen.”

„Misschien heeft hij ons aj ontdekt, toen wij hem door het * raam bespiedden.”

„Best mogelijk.”

Die veronderstelling maakte de geheele kwestie niet gemakkelijker. Indien hun veronderstelling juist was, dan hadden zij te doen met een geslepen persoon, dien je niet zo gemakkelijk om de tuin kon leiden. Alleen al dat hij hen niet belet had hem te volgen, was al onbegrijpelijk. Want als zijn handelingen iets duisters verborgen, en dat kon haast niet anders, dan moest hij er toch prijs op stellen, zo min mogelijk getuigen te hebben. Dat gefluit.... Ja dat gefluit, wat beteekent dit?

Hans vroeg het aan Kees, omdat hij wist dat zijn eigen theorieën verliepen in onmogelijke fantasieën. Kees had de gewoonte de dingen nuchterder te bekijken.

„Dat gefluit is natuurlijk de kern van het geheim”, antwoordde Kees. „Het kwam eerst van de rivier. Een soort sein voor den vreemdeling denk ik.”

„Precies, maar met welk doel?”

„Daar kunnen wij nu wel alle mogelijke gekke dingen van denken, maar het juiste weten wij niet. In ieder geval staat onze man in verbinding met een of ander geheimzinnig persoon, die midden in de nacht op de rivier rond spookt, zelfs al dreigt de wereld te vergaan”, besloot Kees geeuwend.

„Heb je slaap?”

„Als een os. Weet jij nog wat nieuws?”

„Ik niet. Zou er niets meer gebeuren?”

„Dat kan me eerlijk gezegd nu geen zier meer schelen. Ik moet eerst eens zien hoe de wereld er met klaarlichte dag uitziet”, antwoordde Kees, dieper in zijn slaapzak wegkruipend,

Sluiten