Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERWIJL HET KAMPVUUR VLAMDE

„Nu, welterusten dan,” zei Hans, op een beetje verongelijkte toon, want hij had graag nog eens over het gebeurde doorgekletst.

Het. duurde echter niet lang of ook hij moest aan de slaap de vereiste tol betalen.

„Heb jij gedroomd?”, vroeg Kees de andere morgen, zodra zij ontwaakt waren en de zon al hoog aan de hemel vonden,

„Helemaal niet. Jij?”

„Brr.... Ik wel. Ik heb de ganse nacht niets dan wilde beesten gezien”, antwoordde Kees, die zelden droomde, maar nu voor een paar maal tegelijk gedroomd had.

Hans barstte in een schaterlach uit en zei: „Dat komt er van, als je ’s nachts voor politie-agent wilt spelen.”

„Hou je smoesjes bij je en zorg liever voor ’t ontbijt”, bromde Kees, die het blijkbaar nog niet goed zetten kon, dat hij zulke gekke dingen gedroomd had.

Hans, die zich zijn eigen nachtmerries herinnerde en wien het spreekwoord te binnen schoot: „Wat gij niet wilt dat U geschiedt, doe dat ook aan een ander niet”, ging niet verder met zijn scherts en begon het ontbijt gereed te maken.

En toen begon een dag van wachten. Alles wat op andere dagen prettig en begeerlijk leek, een genoegen dat nooit verveelde, scheen nu zijn bekoring verloren te hebben. Het scheen allemaal te lijden onder de verwachtingen die zij koesterden van de avond, die komen moest. Zodra het duister werd, zou de man uit Japan komen en aan hun kampvuur vertellen; mooie verhalen vertellen uit het land, dat aan het andere einde van de wereld lag. Dezelfde man die de nacht te voren, tijdens het geweldige onweer, hun zenuwen tot het uiterste in spanning gehouden had, de man die goochelde met geheimzinnigheden en toch weer een gewoon mens scheen te zijn, zou in hun onmiddellijke nabijheid komen te zitten. En ’t was helemaal niet alleen om wat hij deze avond te vertellen zou hebben dat zij zo naar zijn komst verlangden, Neen, in hen leefde de stille

Sluiten