Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERWIJL HET KAMPVUUR VLAMDE

hoop, het grote verlangen, dat er iets van de geheimzinnige sluier die er om zijn daden hing, zou worden opgeheven. Die avond moest de oplossing brengen van veel duisters. Gaf de man geen redelijke verklaring van zijn nachtelijk gedoe, was er in zijn verhalen ook maar iets dat hun vreemd voorkwam, onherroepelijk zouden zij den eigenaar en den havenmeester vertellen wat er hier gebeurde. Dan mochten zij daar geen minuut langer meer mee wachten. Wie weet, wat voor een gekke dingen er ^intussen al waren uitgebroed!

„Normaal is het niet, Hans”, zei Kees, toen zij ’s middags in hun tent weggekropen waren voor de zon, die weer onbarmhartig op hun huid brandde.

„Laten wij nu verder maar geen veronderstellingen meer maken”, meende Hans te moeten antwoorden. „Wij zijn er toch naast.”

„In ieder geval is hij nu toch wel verplicht, nu hij weet dat wij hem bespied hebben, een verklaring te geven”, vond Kees.

„Verplicht?”, spotte Hans. „Is een misdadiger verplicht, tegen degenen die hem bespied hebben alles te vertellen van de plannen die hij koestert?”

„Geloof jij beslist, dat het een misdadiger is?”

„Dat geloof ik niet beslist. Ik weet er niets van. Hij zou het kunnen wezen.”

„Misdadigers werken altijd in het donker”, zei Kees, terwijl de rimpel in zijn voorhoofd weer geducht te zien was.

„Maar zij zijn meestal niet zo onverschillig, als zij ontdekken dat zij bespied worden.”

Die slag was voor Hans. Inderdaad had de vreemdeling zich helemaal niet nijdig getoond, toen hij bemerkte dat zijn hande- x lingen bespied werden. Daaruit zou men dus kunnen concluderen, dat hij geen kwaad en in het schild voerde. Maar hoe kon men iets goeds verwachten van een man die de nacht koos om te werken. En als hij niets te verbergen had, als zijn werk werkelijk het daglicht velen kon, waarom had hij hun dan iets wijs gemaakt van een boek dat hij aan het schrijven was? -A

Sluiten