Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERWIJL HET KAMPVUUR VLAMDE

Alweer scheen de vreemdeling niets van dat alles te bemerken. Onverstoorbaar als altijd stond zijn gelaat, dat fantastisch beschenen werd door het kampvuur. Nu pas zagen zij welk een energiek gelaat de vreemdeling had; hij droeg snor noch baard, en dat gladgeschoren gezicht, gebruind en mager, bezat (dat hadden zij al eerder opgemerkt) een paar ogen, die deden denken aan de ogen van een roofvogel. Zijn hoog voorhoofd en zijn glad achterover gekamde haren .vielen hun op. Het was een man die iedere leeftijd hebben kon.

De stilte, die na de eerste begroeting ingetreden was, verbrak de vreemdeling door te vragen: „Hebben jullie koffie?”

De jongens schudden ontkennend het hoofd.

„Koffie zetten, lui”, zei de vreemde man toen op een commandotoon, terwijl hij aan het kampvuur ging zitten, de benen kruiselings onder zich.

Kees keek naar Hans als wilde hij hem op zijn plicht wijzen, doch Hans was al weg; hij had geen minuut gedacht het verzoek van den vreemdeling in de wind te slaan. Toen de ketel met water uit de welput boven het vuur hing, hernam de veemdeling het woord en zei; „Koffie drinken leer je bij de Arabieren. In een tent van een Arabier vind je niet veel bijzonders, vooral niet bij de zwervende Arabier, de Bedoeïn, maar koffie vind je er altijd.”

„Bent U in Arabië geweest?”, vroeg Hans, die nu openlijk bewondering in zijn stem lag.

„Ja, ik heb verschillende malen de Arabische woestijn doorkruist.”

Na deze woorden bleef het doodstil; slechts de natuur sprak in het ritselen van enkele boomblaren en het melodieusë geklots van het water tegen dë glooiing. Zelfs Kees voelde zijn argwaan wijken en was op dat moment bereid veel te vergeten.

„Ik heb de halve wereld doorkruist, jongens, en menige avond aan een kampvuur doorgebracht. Ja, dat was heel wat anders dan hier, ’t Is hier rustig en zonder gevaar. Ginds heb'

Sluiten