Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERWIJL HET KAMPVUUR VLAMDE

houdt je leven lang, dat het doden van een mens slechts in de alleruiterste noodzaak uit zelfverdediging toegestaan is.”

De stem van den vreemdeling had bij die laatste woorden ongewoon ernstig geklonken onwillekeurig maakte diezelfde ernst zich ook van de jongens meester. Stil keken zij naar den man voor zich. Wat moest hij veel weten over de vreemde landen en volken, die hij bezocht had? En terwijl zij zo naar hem zaten te staren, voelden zij hoe schaamte hen overviel. Deze man hadden zij verdacht van iets slechts. Hoe hadden zij het kunnen denken! O, als hij nu maar meteen wildé zeggen, wat die nachtelijke geheimzinnigheid aan de rivier betekende! Zij wilden niet meer denken dat hij iets kwaads in het schild voerde, o neen, maar het was zijn plicht, in ruil voor hun aandacht, opheldering te geven over het vreemde dat in de afgelopen nacht aan de oever van de rivier geschied was.

Kees maakte zich al gereed, om te vragen of de vreemdeling hun wilde vertellen wat hij bij hen deed, toen deze opstond en zei: „Vanavond genoeg, jongens. Bedankt voor de koffie en tot straks.”

Voor zij iets hadden kunnen antwoorden was hij verdwenen, hen achterlatend met nieuwe vragen. Wat toch bedoelde hij met dat: Tot straks? Kwam hij nog terug?

„Kees, begrijp jij dien man nu?”, vroeg Hans, die eveneens opgestaan was en in de richting tuurde waarin de man verdwenen was.

„Qeen sikkepit. Maar ik weet wel dat wij ons lelijk vergist hebben. Die man kan geen kwaad in het schild voeren. Wat een verhaal hè.

„Geweldig”, antwoordde Hans.

„Maar dat hij niets gezegd heeft van de vorige nacht!”1

„Ja, dat is vreemd. Hij zal er natuurlijk wel een rede voor nebben.”

„Natuurlijk, maar welke?”

„Dat weet ik niet. Maar ik moet me sterk vergissen als wij

Sluiten