Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERWIJL HET KAMPVUUR VLAMDE

hier niet een zeldzaam avontuur meemaken”, zei Hans, geest* driftig.

„Dat geloof ik ook”, antwoordde Kees, het kampvuur uittrappend.

„Gaan wij naar bed?”

„Ik wel. Ik ga dromen over Masamuni!”

„Vooruit dan ’, gaf Hans toe, het licht van zijn electrische zaklantaren aanknippend.

Doch voor zij de ingang van de tent genaderd waren, bleven zij met een schok roerloos staan. Heftig klopte hun hart, door een plotselinge schrik die zich van hen meester maakte. Whnt een schril geluid scheurde dé nachtelijke stilte vaneen. Als met stomheid geslagen bleven de beide jongens staan. De lantaren beefde in Hans’ hand. Zij wachtten en zij wisten waarop zij wachtten. Zij waren er van overtuigd, dat dit gefluit gevolgd zou worden door nog twee fluitstoten. Gedwongen door een onzichtbare macht bleven zij staan, tot hun vermoeden werkelijkheid werd.

Toen greep Kees de hand van Hans en trok hem met zich mede.

„Vooruit naar de rivier!”

Op een draf, geholpen door het licht van Hans’ lantaren, snelden zij over het donkere terrein. In de richting van de rivier, zo goed mogelijk aarfhoudend op de plaats waar zij de vorige maal den vreemdeling hadden gevonden.

Er was geen tijd om verklaringen te geven. Maar één gedachte bezielde hen. Op tijd bij de rivier te zijn, om juist als de vorige nacht te zien hoe de vreemdeling het gefluit beantwoordde. En nu zouden zij er méér van moeten weten; nu zouden zij niet weggaan, voor zij wisten wat dat betekende. De vreemdeling was die avond hun gast geweest, hij had aan hun kampvuur gezeten en hun koffie gedronken. Het was nu zijn plicht, te vertellen wat dit nachtelijke gefluit betekende. Dergelijke gedachten stormden door hun brein, toen zij struikelend en vallend, zich verwondend aan de wilgentakken, voortsnelden

Sluiten