Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN DAG DIE MERKWAARDIG EINDIGDE

niet, ’t kon ’n oorzaak voor ontdekking wezen. Traag, maar toch onafwendbaar, kwam het middernachtelijk uur nader. En hoe dichter het naar twaalf uur liep, hoe meer de jongens in opwinding geraakten Zij hadden de gehele dag na het ochendbezoek aan de loods al niet veel gesproken, maar nu werd er op de duur helemaal geen woord meer gewisseld. Steeds sterker werd de spanning, steeds groter werd de opwinding. Qek, ’t leek wel of zij bang werden, want zij schrokken van ieder geluid dat hun verdacht leek. Ja, een soort angst was het, die hen nu bezielde, Qeen vrees voor zich zelf, neen, zij werden angstig omdat nog altijd de mogelijkheid bestond dat zij het avontuur zouden mislopen. Of was het toch werkelijk gewone angst? Echte, jongensachtige bangheid? Misschien wel. Was dat nu wel nodig? De sterren glinsterden even vredig aan de nachtelijke hemel als altijd. Het fluisteren van de wilgenblaadjes was even melodieus als de vorige avonden. De grote tjalken voeren even geruisloos voorbij als voorheen. En in het portiershuisje van de fabriek aan de overzijde brandde het lampje zo vriendelijk, dat ieder gevoel van angst een dwaasheid leek. Toch bleef de angst en pas toen de grote torenklok met twaalf forse slagen het middernachtelijk uur aankondigde, voelden zij zich plotseling als bevrijd van een zware last.

Zonder zich nog verder over hetgeen zij in het kamp achter lieten te bekommeren, snelden zij naar de loods waar zij volgens afspraak den vreemdeling zouden ontmoeten. Spoedig hadden zij het bouwvallige ding bereikt en ze zagen dat er geen licht in brandde.

„Er brandt geen licht, Kees”, fluisterde Hans.

„Neen, misschien om geen aandacht te trekken”, antwoordde Kees, terwijl hij op de deur klopte.

Onmiddellijk werd op Kees’ kloppen de deur op een kier geopend. Een bekende stem hoorden zij vragen: „Zijn jullie het, jongens?”

„Ja, wij zijn het”, antwoordden zij zacht.

„Kom binnen en spreek niet te luid.”

Sluiten