Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN DAG DIE MERKWAARDIG EINDIGDE

„Hè, wat is dat?,”, vroeg Kees opeen. „Kan het dat de wind gaat opsteken?”

„De wind?”

„Ja. Je hoort toch, dat de buitendeur dichtslaat. Dat moet door een plotselinge windstoot gekomen zijn”, antwoordde Kees beslist.

„Ik heb niets van wind bemerkt.”

„Ik ook niet. Misschien komt er een donderbui opzetten.”

„Dat is best mogelijk. ’t Zou jammer wezen als de boel in ’t water viel. Het is wel geheimzinnig”, meende Hans.

„Loop door met je geheimzinnigheid”, bromde Kees. „Moet je nóg meer geheimzinnigheid beleven als nu? ’t Is hier donkerder dan de nacht. Waar blijft onze vriend nu?”

„Zeker buiten nog wat te doen.”

„Ik hoor niets meer Jij?”

De beide jongens luisterden scherp. Geen geluid drong tot ren door. Geen gerammel aan de luiken, geen voetstappen, niets, letterlijk niets verraadde de aanwezigheid van een levend wezen.

.Zouden wij het licht durven aansteken?”, vroeg Hans, die zich in ’t donker wel een beetje onbehaag’lijk begon te gevoelen.

„Ik voel er veel voor”, antwoordde Kees, die het ook niet zo prettig vond in die zwarte duisternis.

„Weet jij de lamp te vinden?”

„Er stond een olielamp op de tafel.”

„Proberen of we ze vinden kunnen”, zei Hans.

Hij begon zich in het donkere vertrek te bewegen.

„Kijk uit, kuiken”, gromde Kees, want Hans was tegen hem ppgebotst en had hem met zijn elleboog een stevige por in zijn naag gegeven.

„Je hebt goed kijken in ’t donker”, antwoordde Hans nijdig. ,,Ik ben geen kat.”

Kees antwoordde niet, want hij kwam bijna op hetzelfde ogenlik tot de ontdekking, dat het verwijt ongegrond was, want zélf vas hij met ’t hoofd tegen iets aangelopen, dat niet mee gaf en /ermoedelijk een kast of zoiets moest zijn.

Sluiten