Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN DAG DIE MERKWAARDIG EINDIGDE

net deed pijn, die plotselinge aanvaring, maar Kees wist zich te bedwingen, niet omdat de pijn niet hevig genoeg was om er voor te schreeuwen, maar omdat hij nog steeds dacht aan de ernst, waarmede de vreemdeling hun verzocht had geen onnodig leven te maken.

Eindelijk bereikten zij toch de tafel, graaiden er wat in de duisternis rond en vonden eindelijk de lamp.

„Lucifers, Hans”, beval Kees.

Gelukkig bleken die aanwezig.

Een vlammetje flikkerde in het duistere vertrek.

Driemaal moest een lucifer worden ontstoken voordat de lamp brandde. En toen wierp zij nog maar een armzalig schijnsel in het ruime vertrek.

„Veel bijzonders is het niet”, meende Kees te moeten zeggen.

„Ze gaat weer uit.”

Kees hield een lelijk woord in, toen hem bleek dat Hans gelijk had. Het vlammetje waggelde een beetje heen en-weer en gaf toen de geest.

Als even te voren omringde de beide jongens weer een volkomen duisternis.

„Mooie boel, de lamp is leeg”, zei Kees, die de lamp opgenomen en geschud had.

„Gekke boel! Zoek in de duisternis nu maar eens naar olie”.

„Heb je geen lantaren bij je?”

Hans bekende dat hij die vergeten was.

„Als jij ook eens wat onthoudt!”, bromde Kees, die spinnijdig begon te worden.

„Koop zélf een lantaren”, was het antwoord.

Een ogenblik dreigden de beide jongens in een ernstig twistgesprek te geraken. Doch toen Kees op het punt stond om Hans een vinnig antwoord te geven, drong het opeens tot hem door dat hun vriend, de dievenvanger, nog steeds niet was teruggekeerd.

„Hans, waar zit onze vreemdeling?”

„Drommels, hij zal er toch niet alleen tussen uit wezen.”

„Hér

Sluiten