Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S. O. 5.

gaan, maar zélf liepen zij een kostelijk avontuur mis. Het was deze gedachte die hen uit hun besluiteloosheid deed ontwaken. Zij begrepen, dat zij door bij die gesloten deur te blijven staan niet alleen niets wijzer werden, maar dat zij daardoor het succes van de dieven in de hand werkten. Zij moesten de loods uit zien te komen, hoe eerder hoe liever. Zij waren op de hoogte van de plannen die de dieven koesterden ten opzichte van het kostbare zwaard en pas als zij weer over hun vrijheid beschikten, konden zij met kans op slagen proberen de diefstal te verijdelen.

'„Wij moeten hier uit, Hans”, zei Kees opeens met vaste stem.

„Dat ben ik met je eens. Maar hoe?”, antwoordde Hans mistroostig.

„Niet zo somber, maat. Eerst moeten wij licht hebben.”

„De lamp is leeg.”

„Dat weet ik wel. Maar er zal toch wel ergens olie wezen? Hoeveel lucifers heb je nog?”

Hans haalde zijn doosje met de nu kostbaar geworden lucifers voor de dag en telde ze in de duisternis, zo goed en zo kwaad als dat ging.

„Twaalf heb ik er nog, als ik goed gesteld heb.”

„Je hebt toch niet de gekke gewoonte om de afgebrande weer in het doosje te steken?”, vroeig Kees toen.

Hans bekende dat hij zich in de meeste gevallen wel aan die dwaze gewoonte schuldig maakte.

„Dan heb je misschien niet meer dan twee of drie goeie.”

Hans moest toegeven dat er veel kans bestond Kees gelijk te moeten geven.

„In ieder geval moeten wij licht hebben, Hans. Heb jij ergens een kast gezien?”

„Jij bent er daarstraks tegen op gelopen. Ik denk ergens recht voor ons uit.”

„Vooruit met de geit dan!”, beval Kees. „Steek eerst een vlammetje aan, dan weten wij in welke richting wij moeten Jopen,’*

Sluiten