Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s. o. s.

ontdekt hadden, maar ongetwijfeld, evenals de luiken, aan de buitenzijde met een hangslot. Dit versterkte hen in hun mening dat de bandieten voor het sluiten aansprakelijk waren. Zij hadden natuurlijk niet de beschikking gehad over de sleutel. Misschien hadden zij reeds dagen van te voren de zaak in orde gemaakt, hun afspraak met den vreemdeling beluisterd en geweten dat zij uit de loods er op uit zouden trekken. Waarschijnlijk was het de bedoeling geweest hen alle drie op te sluiten, maar toen de vreemdeling zo laat naar buiten was gekomen om de luiken te sluiten, hadden zij het toch maar beter gevonden hun vijand in te rekenen.

„En toch moeten wij hier uit, Hans”, besloot Kees zijn onderzoek.

Kees was een jongen die de moed niet gauw opgaf. Als hij eenmaal zijn zinnen op iets gezet had, dan moest dat gebeuren.

Hans, die minder vasthoudend was, gaf zich gewillig ^an Kees’ leiding over, doch deelde diens optimisme niet. De loods was wel oud en vervallen, maar toch nog stevig genoeg om hun zwakke krachten te weerstaan.

Kees scheen er van overtuigd te wezen dat er een mogelijkheid tot ontsnapping moest bestaan. Rusteloos zocht hij, met de lamp bij zich, alle hoeken af om op het laatste toch tot de overtuiging te komen dat de kans heel gering was.

„Nu blijven ons nog maar twee wegen over, Hans”, zei hij op het laatst grimmig.

„Twee wegen?”, vroeg Hans verademend. „Ik dacht dat er helemaal geen weg was.”

„Toch wel. Wij kunnen door de grond of door de lucht.”

Hans keek bij deze woorden eerst naar de grond en toen naar omhoog, doch kon niet zien wat Kees bedoelde.

„Kijk eens, Hans, als wij een goede spade hebben, zouden wij een gat kunnen graven onder de wand door en als een konijn uit zijn hol'Ontsnappen. Nu, daar.wij geen spade hebben en dat karwei ook veel te lang zou duren, zijn we genoodzaakt het hoger op te zoeken.”

Sluiten