Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s. o. s.

„Raaskal nou niet. Wat wil je eigenlijk?”, vroeg Hans, die een beetje zenuwachtig was en daarom gauw nijdig werd.

„Waarde vriend eri- lotgenoot”, declameerde de onverstoorbare Kees. „Zie naar gindse hoek. Daar staat een ladder. Die ladder voert naar de vliering. Als wij niet door de grond heen kunnen, dan gaan wij door het dak. Eerst wat gereedschap opzoeken.”

, Hans haalde de schouders op en liet Kees zijn gang gaan. Deze kwam al spoedig met een zware ijzeren hamer, een zogenaamde vuist, voor de dag.

„Hier maat, hou beet”, zei hij, Hans de hamer in de hand duwend.

Zelf nam hij de lamp en begon de ladder op te klimmen, die naar de vliering leidde. Hoewel Hans weinig van deze onderneming verwachtte, lokte het hem toch niet aan om weer in de duisternis te geraken. Hij volgde dus gelaten Kees en weldra stonden de beide jongens op de vliering. Bij het vrij sterke licht dat de lamp gaf, zagen zij een reddeloze rommel, zwaar onder het stof, van allerlei waardeloze prullen. Men was blijkbaar in geen jaren op de vliering geweest.'

„Pas op de muizen!”, gichelde Kees, die schik in het geval scheen te krijgen.

„Loop door met je muizen. Vertel me liever, hoe wij hier vandaan kunnen komen.”

„Even geduld, mannetje”, zei Kees.. „Hou je lucifers gereed, want ik ga je weer in ’t donker zetten.”

„Qa je de lamp uitblazen?”, vroeg Hans verschrikt.

„Met Uwes verlof, ja. Kom een beetje bij dat trapgat vandaan, anders duikel je naar beneden. Nu, pas op. Heb je de lucifers?”

„Ja.”

„Hupla dan!”

Kees blies de lamp uit en opnieuw stonden de jongens, of liever lagen zij In de duisternis.

Sluiten