Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s. o. s,

„Wat wil jé nu?”, vroeg Hans, die niets van Kees’ gedoe begreep.

„Let op, waarde heer. Kijk eens recht voor je uit. Zie je daar niets?”

Hans keek recht voor zich uit en liet toen een juichkreet horen.”

„Sterren!”

„Juist, mijnheertje. Sterren. En als wij hier op deze kostelijke vliering sterren kunnen zien, dan betekent dit dat er een gat is. En waar een gat in het dak is, daar kunnen wij met onzen ijzeren vuist een groter gat gaan maken. En waar een groter gat is kunnen wij door. Snap je dat?”

Hans snapte het volkomen. Doch de manier waarop Kees zijn mededeling deed, ergerde hem. Toch was hij zo verstandig om te zwijgen,

„Nu je lucifers, Hans. Vlug wat. Wij moeten al minstens een uur hier opgesloten zitten.”

Hans scharrelde weer in zijn doosje: Hij had nog maar een paar lucifers. Van de vijf bleken er vier afgebrand. Doodsangsten stond hij uit, dat de laatste lucifer eveneens niet aan de verwachtingen zou beantwoorden. Kees ging zeer voorzichtig met de kostbare lucifer om, maar smaakte toch het genoegen de lamp aan te krijgen. Zij hadden goed onthouden waar ze de sterren door het dak hadden zien schijnen. Even later regende het hamerslagen op de vermolmde planken. Deze boden niet veel weerstand. Met iedere hamerslag brokkelden er stukken af. Het duurde dan ook niet lang of de pannen lagen bloot. Die weg te schuiven bleek het werk van een ogenblik te wezen. Toen stroomde de frisse zomernachtlucht hun longen binnen. Lucht, frisse lucht, wemelende sterren boven hun hoofd, o, wat was dat een groot geluk! ontroerd luisterden zij naar het fluisteren van de hpge populieren voor de loods, naar het ritselen van de wilgenblaadjes en een schuit die juist op dat ogenblik voorbijvoer, leek hun de brengster van een blijde boodschap. Zo, de koppen naast elkaar door de gemaakte ope-

Sluiten