Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s. o. s.

„Wij moeten aan boord zien te kofnen, Hans”, zei Kees, die het eerst zijn oude geestdrift terugvond.

„Dat zal niet meevallen, Kees. De politieboöt ligt voor de officiële touwladder. Daar mag je natuurlijk niet langs.”

„Neen, daat komen wij niet naar-boven.”

„Laten wij wat rond varen. Misschien vinden we een kans.”

Zij voeren rond het schip heen en ontdekten aan de achtersteven een schommelende touwladder.

„Durf jij daar langs naar boven?”, vroeg Hans.

„Ik welv Jij niet?”

„Natuurlijk wel.”

„Mooi. Ga jij maar eerst.”

Hans greep de ladder en klauterde naar boven. Dat ging moeilijker dan hij gedacht had. Het ding schommelde geweldig* Je dacht niet vooruit te komen. Doch eindelijk had hij de verschansing bereikt, zwaaide zich er over heen, onmiddellijk gevolgd door Kees, die de boot aan de touwladder had vastgemaakt. Het was daar aan die achtersteven pikdonker. Zij wilden juist proberen de weg te vinden haar het middendek, waar zij wisten dat mensen waren, toen zij een zware hand op hun schouder voelden en een barse stem hoorden die vroeg; „Wat moet dat hier?”

Hans en Kees verstijfden van schrik. In wiens handen waren zij nu weer gevallen? Zij stamelden een verward verhaal. Vertelden van het S.O.S. sein, en hun poging om te kunnen helpen. Een gesmoord lachen maakte hun duidelijk, dat de man die hen gegrepen had niet veel van het verhaal geloofde.

„Ga maar eens mee, mannetjes”, zei hij daarop.

De jongens waren machteloos in de harige klauw van den man, die vérmoedelijk een matroos was die daar op wacht had gestaan. Hij nam de beide knapen mee langs een weg, die bezaaid scheen met rollen touw, ankers, stukken ijzer en planken, en bracht hen bij het groepje mensen die druk stonden te praten over de aanleiding tot het geven van het S.O.S. sein.

„Hier heb ik wat”, zei de matroos en duwde de beide jongens

Sluiten