Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI

HET WEB VAN LEUGEN EN BEDROG

I ü et was het volgende ogenblik een verward geroep en een

gevraag van belang. Iedereen scheen wat te willen weten en daar zij allemaal door elkander stonden te schreeuwen, werd niemands vraag verstaan en kreeg niemand het antwoord dat hij verlangde. Tenslotte begreep de commandant van de rivierpolitie het eerst, dat zij op deze manier niets wijzer werden en niet verder kwamen, waardoor zij hun kostbare tijd hier stonden te verknoeien.

„Kent U deze jongens?”, vroeg hij aan den kunsthandelaar^

„Als me zelf, commandant.”

„Dat helpt. Stuurman”, zo wendde hij zich toen tot een kloek gebouwd zeeman in uniform, „hebt U aan boord een rustig plaatsje waar wij kunnen praten?”

„Natuurlijk, commandant”, antwoordde de stuurman vlug. „U kunt over de kapiteinshut beschikken. De ouwe is aan wal en komt niet voor morgen terug.”

„Vooruit dan!”, commandeerde de politieman.

Dat korte bevel bracht orde in de chaos. De bemanning van de politieboot kreeg de opdracht terug te keren naar de boot en daar te wachten op nadere orders. De matrozen van het stoomschip, die op het S.O.S. sein waren afgekomen, keerden terug naar hun kooien, maar kregen de opdracht zich gereed te hoeden om bij de eerste oproep'present te zijn De wachtslieden betrokken hun post en de rondom de boot heen zwervende scheepjes begrepen, dat er niets meer te doen viel een voeren heen.

De nachtelijke stilte viel weer over het water.

De rust in de nacht keerde weer.

Intussen had oom Henri zich met den politiecommandant en de jongens in de kapitienshut teruggetrokken. Het spreekt vanzelf dat onze beide vrienden Hans en Kees, na van de eerste verbazing bekomen te zijn, brandden van nieuwsgierigheid om te

Sluiten