Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET WEB VAN LEUGEN EN BEDROG

Brandsma in te gaan. Wij vermoedden, dat er iets achter schuilde en wij wilden er meer van weten. Wij trokken er op uit en nog voor dat wij een voet op ons kampeerterrein hadden gezet, ontmoetten wij een man.”

„Hoe zag die man er uit?”, vroeg commandant Burger weer.

„Dat is niet zo gemakkelijk te zeggen. Zijn gelaat had niets kenmerkends, alleen zijn ogen konden gevaarlijk flikkeren. Wij zouden zelfs niet kunnen zeggen, hoe oud hij was. Wel weet ik dat zijn gelaat verraadde, dat hij veel in de buitenlucht had doorgebracht. Later hoorden wij dat hij de halve wereld bereist had.”

„Had zijn kleding niets dat de aandacht trok?”

„Ja. Hij droeg een wit vest, dat versierd was met geborduurde bloemen in schelle kleuren.”

Weer maakte de commandant een notitie, f'

| „Verder maar weer!”

„Nu dan, die vreemdeling, vroeg wat wij daar kwamen doen. Wij vertelden het hem en toen gaf hij ons de raad om niet in de loods te slapen, maar in de tent die hij op onze wagen zag liggen. De loods zou veel te vuil zijn, meende hij.”

„Gaf hij anders geen reden op?”, vroeg om Henri.

„Neen Hij zei ons vriendelijk goedendag en ging heen. Wij namen bezit van ons kampeerterrein, zetten onze tent op en gingen toen naar de loods om te kijken hoe die er uitzag. Wij waren van plan om, als zij nog steeds op slot was, het slot te forceren. Tot onze grote verbazing bleek de loods weer open te zijn. Wij traden binnen en vonden geen rommelige, stoffige en verwaarloosde boel, maar een keurig ingericht, volledig gemeubileerd vertrek.”

De beide heren slaakten een uitroep van verbazing en ook wel van ongeloof. Kees bemerkte dit en meende zijn vriends woorden te moeten bevestigen. Daarom zei hij: „Zo waar als wij hier zitten, hij spreekt de waarheid, heren.”

Hoewel Kees met overtuiging gesproken had, meenden de beide heren toch hun schouders te moeten ophalen, als wilden

Sluiten