Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING

genieten, of zekere handelingen te verrichten; öf dat een opheffing of vermindering van dat vermogen in het algemeen bij den onderzochte moet worden aangenomen.

Tot zoover is de psychiater bevoegd, en naar de mate van ontwikkeling van zijn wetenschap in staat, een antwoord te geven. Voor hem is impliciet de onbekwaamheid of ongeschiktheid ten opzichte van een zekere verplichting, een zeker recht of een zekere handeling eo ipso „gebleken”, zoodra hij het bestaan van een toestand heeft aangetoond, die met die bekwaamheid of geschiktheid in het algemeen onvereenigbaar is. Gaat hij verder en wil hij die onbekwaamheid of ongeschiktheid ook ten aanzien van één bepaald gegeven aantoonen, dan gaat hij zijn bevoegdheid te buiten, daar hij immers onbevoegd is te beoordeelen, welke eischen een verplichting, een recht of een handeling in één bepaald geval aan den onderzochte stelt, en in hoeverre deze in diat bepaalde geval aan die eischen voldoet of heeft voldaan. Dan overschrijdt de psychiater tevens het gebied, dat zijn wetenschap bestrijkt; zij stelt hem slechts in staat, één of eenige van dè motieven aan te toonen, die op de wijze waarop verplichtingen worden nagekomen, handelingen worden verricht of rechten worden genoten, invloed kunnen hebben of gehad hebben. Maar nimmer kan hij bewijzen, dat andere motieven niet in het spel %ijn geweest. (Om dezelfde reden kan ook het bewijs van het bestaan van psychische gezondheid nooit worden geleverd en zou de conclusie, dat zij aanwezig is, strikt genomen moéten luiden: dat het tegendeel niet gebleken is.)

De rechter zal met een bewijsvoering, die zich tot het bovenstaande beperkt, meestal ook wel genoegen nemen. Weliswaar vordert b.v. art. 37 Sr. voor haar toepassing het bewijs, dat aan den verdachte het bepaalde feit, waarvoor hij terechtstaat, niet kan worden toegerekend, doch ook volgens de juridische bewijsregelen kan hierbij worden volstaan met het bewijs, dat de toerekeningsvatbaarheid in het algemeen is opgeheven en dat de ontoerekenbaarheid van dit feit waarschijnlijk is te achten. Het is niet noodig - en het zou blijkens het bovenstaande ook onmogelijk zijn -, dat aan den rechter wordt duidelijk gemaakt, hoe het geheele complex van geestelijk gestoorde en gebrekkig ontwikkelde vermogens nu juist ten aanzien van dit ééne feit, waarvoor de verdachte terechtstaat, heeft gewerkt. Ook voor den rechter is voor het bewijs van de waarheid voldoende, dat een zekere mate van waarschijnlijkheid wordt aangetoond. Het is daarbij aan zijn oordeel overgelaten, of hij in een bepaald

SUPPL.

Sluiten